Blog 4, door onze voorleescoördinator Tineke

Taal die past bij mijn kind

Soms hebben kinderen een steuntje in de rug nodig wat hun taalontwikkeling betreft. Twee - misschien wel de meest belangrijke - principes die binnen de logopedische behandeling in acht worden genomen, geef ik graag door.

1. Maak gebruik van zoveel mogelijk zintuigen
Laat het kind voelen, horen, zien, ruiken, proeven...
Het woord 'zacht' krijgt pas betekenis als een kind heeft gevoeld wat 'zacht' is.
"Boos loopt Nijntje weg." Hoewel Nijntje volgens mij nooit boos is, kun je dit illustreren door op een boze toon te spreken (het kind hoort de boze stem) en door een boos gezicht te trekken (dat kan het kind zien).
Zo kun je de reuk en smaak ook inzetten om een begrip te krijgen van begrippen.

2. Pas je niveau aan aan dat van het kind, en ga één stapje hoger zitten.
Bijvoorbeeld op deze manier:

Kind: "Mama, toel zitten."
Mama: "Ja, op de stoel zitten."

Je ziet hier dat moeder de woorden van het kind overneemt (in de goede gesproken vorm en uiteraard met een rustig spreektempo) en er gelijk al iets aan toevoegt. Dat wordt genoemd: de uiting overnemen en toevoegen.
Bij kinderen die niet spreken, maar dit wel zouden moeten kunnen gezien hun leeftijd, zal de logopedist zeer waarschijnlijk de geluiden overnemen (nadoen) en tussendoor één of twee woorden introduceren.
Kinderen van 3 jaar spreken als het goed is in drie- of meerwoordzinnen.

Door je zo aan te passen aan de taal, en dus: het niveau van het kind, trek je zijn aandacht. Als je in een land bent, waar je de taal niet kent, luister je ook niet naar hoe alle klanken en woorden worden uitgesproken. Je snapt er toch niets van. Een kind dat dagelijks geconfronteerd wordt met te ingewikkelde taal kan zijn interesse verliezen om te luisteren naar wat er gezegd wordt. De focus gaat dan snel naar wat hij ziet, voelt, en wat er binnenkomt via de andere zintuigen.

Soms doen we dit aanpassen automatisch, vooral bij baby's, maar hoe ouder kinderen worden, hoe eerder het kan voorkomen dat we overschatten wat het kind kan of dat we (even) vergeten wat het kind wel of niet begrijpt of kan zeggen. Dat kan leiden tot enorme frustraties aan beide kanten, maar bij het (jonge) kind nog het meest. Gedragsproblemen kunnen bij het vorderen van de taalontwikkeling afnemen, waardoor je het in feite geen gedragsprobleem kan noemen, maar een emotionele uiting als gevolg van een taalachterstand of een taalprobleem.

Ook boeken en filmpjes kun je beter aanpassen aan het niveau van het kind. Animaties en strips zijn door de simplificatie niet automatisch geschikt voor peuters en kleuters. Afgezien van de soms lage moraal, magie, spanning en moeilijke verhaallijnen kunnen deze veel te moeilijke taal bevatten. Dat is zeker het geval bij Disney-verhalen en vergelijkbare uitgaven.

Modelleren
Naast bovengenoemde principes wil ik toch nog één ding in de picture zetten. Namelijk: modelleren.
Als een kind een fout maakt en je corrigeert dat door de uiting op de juiste manier terug te laten horen aan het kind, dan ben je aan het modelleren. Bijvoorbeeld bij een fout in de zinsbouw:

Kind: "Mama, zitten toel."
Mama: "Ja, op de stoel zitten."

Modelleren is puur het goede voorbeeld geven. Het kind corrigeren, zonder te corrigeren. Wat bedoel ik? Je zegt niet iets 'nee-gatiefs' over de uiting van het kind. Ook leg je de nadruk niet op hoe het kind iets moet uitspreken. Hij hoort alleen jouw goede voorbeeld. En dat is heel veel waard.